Simple Rollover Buttons by Free-Buttons.org v2.0




titel




In vaktaal spreekt men over "BEVOEGDHEID" als men het heeft over de materie, de zaken, de geschillen, enz. die door een
rechtbank wettelijk gezien moeten behandeld / berecht / beslecht worden.

De teksten die volgen zijn vrij letterlijk overgenomen uit het gerechtelijk wetboek  (dit is zowat de Bijbel van de Belgische
procesreglementering).  Helaas komt zulks de vlotte leesbaarheid niet ten goede, maar het is de enige mogelijkheid, om naar de
inhoud toe, volledig te zijn.





- A -
BEVOEGDHEID VAN DE RECHTBANK



Artikel 570 Ger.W.

De rechtbank van koophandel doet uitspraak over de vorderingen bedoeld in artikel 121 van de wet van 16 juli 2004 houdende
het Wetboek van internationaal privaatrecht.


onweer


Artikel 573 Ger.W.

De rechtbank van koophandel neemt in eerste aanleg kennis :

1°  van de geschillen tussen ondernemingen, namelijk tussen alle personen die op duurzame wijze een economisch doel nastreven,
      die betrekking hebben op een handeling welke is verricht in het kader van de verwezenlijking van dat doel en die niet onder de
      bijzondere bevoegdheid van andere rechtscolleges vallen;
2°  van geschillen betreffende wisselbrieven en orderbriefjes.

De vordering gericht tegen een onderneming kan onder de in het eerste lid, 1°, bepaalde voorwaarden eveneens voor de rechtbank
van koophandel worden gebracht, zelfs indien de eiser geen onderneming is. Elk beding tot aanwijzing van een bevoegde rechter
dat is gemaakt voor het ontstaan van het geschil is, in dat opzicht, nietig.



Artikel 574 Ger.W.

De rechtbank van koophandel neemt kennis :

 1°  van geschillen ter zake van een vennootschap die beheerst wordt door het Wetboek van vennootschappen, evenals van geschil-
      len die ontstaan tussen de vennoten van een dergelijke vennootschap, met uitzondering van de geschillen waarbij een van de
      partijen een vennootschap is die werd opgericht met het oog op de uitoefening van het beroep van advocaat, notaris of ge-
      rechtsdeurwaarder;
 2°  van vorderingen en geschillen rechtstreeks ontstaan uit het faillissement en procedures van gerechtelijke reorganisatie over-
      eenkomstig de voorschriften van de faillissementswet van 8 augustus 1997 en de wet van 31 januari 2009 betreffende de con-
      tinuďteit van de ondernemingen, en waarvan de gegevens voor de oplossing zich bevinden in het bijzonder recht dat van toe-
      passing is op het stelsel van het faillissement en de procedures van gerechtelijke reorganisatie;
 3°  van vorderingen betreffende de benamingen van oorsprong en de geografische aanduidingen;
 4°  van vorderingen betreffende de aan de post toevertrouwde diensten;
 5°  van vorderingen tot verbetering en doorhaling van inschrijvingen van ondernemingen in de zin van artikel 2, 3°, van de wet van
      16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot op-
      richting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, in de Kruispuntbank van Ondernemingen;
 6°  van vorderingen met het oog op de benoeming van commissarissen voor het nazien van boeken en rekeningen van handelsven-
      nootschappen;
 7°  van vorderingen inzake zee- en binnenvaart, en inzonderheid van het onderzoek van de schuldvorderingen bij verdeling van de
      gelden voortkomend van de toewijzing van een in beslag genomen vaartuig;
 8°  opgeheven;
 9°  van geschillen inzake de handelingen van de Nationale Loterij
10°  van aanvragen tot homologatie van beslissingen tot verplaatsing van de zetel van een vennootschap in vereffening bedoeld in
        artikel 183, § 3, van het Wetboek van vennootschappen, van de vorderingen tot ontbinding van een vennootschap bedoeld
         in artikel 182, § 1, van hetzelfde Wetboek en van de aanvragen tot goedkeuring van het verdelingsplan van artikel 190,
        § 1, van hetzelfde Wetboek.
11°  de vorderingen bedoeld in artikel 92 van Verordening nr. 40/94 van de Raad van de Europese Unie van 20 december 1993
        inzake het Gemeenschapsmerk;
12°  van geschillen tussen emittenten en houders, of tussen houders, van certificaten die betrekking hebben op effecten en zijn uit-
        gegeven overeenkomstig de artikelen 43bis en 124ter van de wetten op de handelsvennootschappen, gecoördineerd op 30 no-
        vember 1935.
13°  van de vorderingen bedoeld in de artikelen 92, § 7, 159, § 7 en 197, § 8, van de wet van... betreffende bepaalde vormen van col-
        lectief beheer van beleggingsportefeuilles;
14°  van de vorderingen bedoeld in artikel 81 van Verordening (EG) Nr. 6/2002 van de Raad van 12 december 2001 betreffende
        Gemeenschapsmodellen;
15°  van de in artikel 73 van de wet van 28 maart 1984 op de uitvindingsoctrooien bedoelde vorderingen;
16°  van vorderingen bedoeld in artikel 38 van de wet van 20 mei 1975 tot bescherming van kweekproducten;
17°  van vorderingen bedoeld in artikel 16 van de wet van 10 januari 1990 betreffende de rechtsbescherming van topografieën
        van halfgeleiderproducten;
18°  van vorderingen betreffende merken, met inbegrip van vorderingen betreffende de doorhaling van een collectief merk, en
        van vorderingen betreffende tekeningen of modellen, bedoeld door het Benelux-Verdrag inzake de intellectuele eigendom
        merken en tekeningen of modellen van 25 februari 2005 goedgekeurd door de wet van 22 maart 2006, behalve deze die door
        dit verdrag worden voor behouden aan de bevoegdheid van een ander rechtscollege;
19°  de vordering om te laten vaststellen dat er een cumulatie is van verworven beschermingen voor éénzelfde uitvinding door
        het Belgische octrooi en door het Europese octrooi, ingesteld bij toepassing van artikel 5 van de wet van 21 april 2007 hou-
        dende diverse bepalingen betref;fende de procedure voor het indienen van Europese octrooiaanvragen en de gevolgen van
        deze aanvragen en van de Europese octrooien in België.


Artikel 575 Ger.W.

 §1.
De rechtbank van koophandel is bevoegd voor de vorderingen tussen ondernemingen, als bedoeld in artikel 573, eerste lid, 1°, met be-
trekking tot het auteursrecht, de naburige rechten en het recht van de producenten van databanken.

De vordering die is gericht tegen een onderneming door een persoon die zelf niet in die hoedanigheid handelt, kan eveneens voor de
rechtbank van koophandel worden gebracht.

Als de eiser geen handelaar is, kan de vordering voor de rechtbank van koophandel worden gebracht, indien de verweerder een hande-
laar is.

Ongeacht de hoedanigheid van de eiser, wordt de vordering voor de rechtbank van eerste aanleg gebracht, als de verweerder geen hande-
laar is.

 §2.
De op grond van § 1 bevoegde rechtbanken zijn onder dezelfde voorwaarden bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen met be-
trekking tot de rechtsbescherming van technische maatregelen en van de informatie betreffende het beheer van rechten bedoeld in de
artikelen 79bis en 79ter van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten, en in de artikelen 12bis en
12ter van de wet van 31 augustus 1998 tot omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken.

 §3.
De rechtbank van eerste aanleg neemt in hoger beroep kennis van de vonnissen in eerste aanleg gewezen door de vrederechter inzake
de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in paragrafen 1 en 2, tenzij het gaat om een geschil tussen handelaars, in welk
geval het hoger beroep voor de rechtbank van koophandel wordt gebracht.
boek



Artikel 576 Ger.W.
De rechtbank van koophandel wijst de beëdigde wegers, scheepsmeters of meters voor zee- en binnenschepen aan en
neemt hun de eed af.
Zij neemt ook de eed af van :

  • de met de scheepvaartcontrole belaste ambtenaren

  • de bedrijfsrevisoren

fee



- B -
BEVOEGDHEID VAN DE VOORZITTER


Artikel 584 Ger.W.


(...)
De voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de rechtbank van koophandel kunnen bij voorrang uitspraak doen
in gevallen die zij spoedeisend achten, in aangelegenheden die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren.

De zaak wordt voor de voorzitter aanhangig gemaakt in een kort geding of, in geval van volstrekte noodzakelijkheid, bij
verzoekschrift.

De voorzitter kan onder meer :

 1°  (opgeheven)

 2°  om het even welke vaststellingen of deskundige onderzoekingen bevelen, zelfs met raming van de schade en opsporing
        van de oorzaken ervan;

 3°  alle nodige maatregelen bevelen tot vrijwaring van de rechten van hen die de nodige voorzieningen niet kunnen treffen,
        met inbegrip van de verkoop van roerende goederen die heerloos of verlaten zijn;

 4°  bevelen dat één of meer getuigen worden gehoord wanneer een partij van een kennelijk belang doet blijken, zelfs
        met het oog op een toekomstig geschil, indien vaststaat dat het bij enige vertraging van dat verhoor te vrezen is dat het
        getuigenis niet meer zal kunnen worden afgenomen;

 5°  bevelen, in geval van een inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht bepaald bij artikel 1369bis/1, begaan op
        commerciële schaal, en op verzoek van de houder van het recht die omstandigheden aantoont die de schadevergoeding
        in gevaar dreigen te brengen, om ten bewarende titel beslag te laten leggen op de roerende goederen en onroerende
        goederen van de vermeende inbreukmaker, met inbegrip van het blokkeren van zijn bankrekeningen en andere tegoeden.

De voorzitter, die uitspraak doet over deze vordering, gaat na :

1)  of het intellectueel eigendomsrecht waarvan de bescherming wordt ingeroepen, ogenschijnlijk geldig is;
2)  of de inbreuk op het betrokken intellectueel recht niet redelijkerwijs betwist kan worden;
3)  of, na de betrokken belangen, waaronder het algemeen belang, te hebben afgewogen, de feiten en, in voorkomend geval,
      de stukken waarop de eiser zich baseert van dien aard zijn dat ze het beslag - dat tot de bescherming strekt van het
      ingeroepen recht - redelijkerwijs verantwoorden.

Artikel 588 Ger.W.

De voorzitter van de rechtbank van koophandel doet op verzoek uitspraak :


 1°  op de vorderingen tot aanwijzing van scheidsrechters, deskundigen, vereffenaars of sekwesters, wanneer de overeenkomst onder
        partijen of de wet hem die aanwijzing opdraagt;

 2°  op de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 5 en 6 van de wet van 18 april 1927 betreffende de bescherming van de benaming
        van oorsprong van wijn en brandewijn;

 3°  op de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 11, § 3, 12, § 4, en 24, § 1, van de wet van 18 november 1862 houdende
        invoering van het stelsel der warrants;

 4°  op de vordering ingesteld krachtens artikel 4 van de wet van 5 mei 1872 op het handelspandrecht;

 5°  op de vordering ingesteld krachtens artikel 8 van van de wet van 25 augustus 1891, houdende herziening van de titel van het Wetboek
        van koophandel op het vervoercontract;

 6°  op de vordering ingesteld op grond van artikel 19 van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de handelszaak,
        het disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks
        voor het verbruik gedane leveringen;

 7°  op de vordering ingesteld krachtens artikelen 5, 10, en 12 van de wet van 24 juli 1921 betreffende het onopzettelijk verlies van het
        bezit van effecten aan toonder;

 8°  op de vordering ingesteld krachtens artikel 58 van de wet van 5 mei 1936 op de rivierbevrachting;

 9°  op de vorderingen ingesteld op grond van artikelen 48 van Boek II van het Wetboek van koophandel;

10°  de vorderingen ingesteld krachtens de artikelen 134, § 1, tweede lid, 4°, en 173, § 3, van de wet van 4 december 1990 op de financiële
         transacties en de financiële markten;

11°  op de vorderingen tot aanwijzing van een deskundige die ermede belast is de commissarissen van een naamloze vennootschap bij
         te staan bij het nazien van de boeken en de rekeningen van de vennootschap;

12°  (opgeheven)

13°  de vorderingen tot staking krachtens artikel 20 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie;

14°  op de vorderingen ingesteld op grond van artikel 22 van Verordening (EG) nr.2157/2001 van de Raad van 8 oktober 2001 betreffende
         het statuut van de Europese vennootschap (SE).

15°  op de vorderingen betreffende beslag inzake namaak ingesteld krachtens de artikelen 1369bis / 1 tot 1369bis / 10 van dit Wetboek en
         ingesteld door personen die, op grond van de wet betreffende de intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel 574, 3°, 11°, 14°,
         15°, 16°, 17°, en 18° een vordering inzake namaak kunnen instellen.

15°  de vorderingen tot staking krachtens artikel 18 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme en xenofobie
         ingegeven daden;

16°  de vorderingen tot staking krachtens artikel 25 van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van de discriminatie tussen vrouwen
         en mannen;

17°  op de vorderingen ingsteld op grond van artikel 772/9, § 2, van het Wetboek van vennootschappen.

18°  de vordering tot staking krachtens artikel 18 van de wet van 20 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie
         ingegeven daden (Vlaamse gemeenschap);

19°  op de vorderingen tot het aanstellen van vereffenaars bedoeld in artikel 184, §1, in fine, van het Wetboek van vennootschap-
         pen, op de vorderingen tot bevestiging van de aanstelling van een vereffenaar bedoeld in artikel 184, §2, van hetzelfde wetboek
         en op de vorderingen tot vervanging van de vereffenaar bedoeld in artikel 184, §4, van hetzelfde Wetboek.


fantasie


Artikel 589 Ger.W.
De voozitter van de rechtbank van koophandel doet uitspraak over de vorderingen als bedoeld :

 1°  in de artikelen 2 tot 4 van de wet van 6 april 2010 met betrekking tot de regeling van bepaalde procedures in het kader
        van de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming;

 2°  in artikel 125 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;

 3°  in artikel 109 van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet;

 4°  in artikel 31 van de wet van 16 februari 1994 tot regeling van het contract tot reisorganisatie en reisbemiddeling;

 5°  in artikel 20 van de wet van 28 augustus 2011 betreffende de bescherming van de consumenten inzake overeenkomsten
        betreffende het gebruik van goederen in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling;

 6°  in artikel 2 van de wet van 11 april 1999 aangaande de vordering tot staking van de inbreuken op de wet van 9 maart
        1993 ertoe strekkende de exploitatie van huwelijksbureaus te regelen en te controleren;

 7°  bedoeld in artikel 8 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handels-
        transacties die worden ingesteld tegen ondernemingen als bedoeld in artikel 573, eerste lid, 1°, of hun beroepsvereni-
        gingen of interprefssionele verenigingen

 8°  verenigingen in artikel 16 van de wet van 17 juli 2002 betreffende de transacties uitgevoerd met instrumenten voor de
        elektronische overmaking van geldmiddelen;

 9°  (opgeheven)

10°  over de vorderingen ingesteld overeenkomstig artikel XVII. 23 van het Wetboek van economisch recht;

11°  in artikel 9 van de wet van (20 december 2002) betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument;

12°  in artikel XVII. 23 van het Wetboek van economisch recht;

13°  (opgeheven)

14°  in artikel 4, eerste lid, 1°, en in artikel 4, tweede lid, 1°, van de wet van 1 september 2004 houdende aanvulling van de
         bepalingen van het Burgerlijk Wetboek inzake verkoop teneinde de consumenten te beschermen;

14°  in de artikelen 27, § 2, 159, § 5, en 160, laatste lid, van de wet van 20 juli 2005 betreffende bepaalde vormen van col-
         lectief beheer van beleggingsportefeuilles;

15°  in artikel 17 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handeldsvestigingen;

16°  in artikel 59 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten;

17°  in artikel 59 van de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten;
         de Grondwet.

18°  in artikel 2 van de dienstenwet van 26 maart 2010 betreffende bepaalde juridische aspecten bedoeld in artikel 77 van
         de Grondwet.

19°  in artikel 14 van de wet van 30 juli 2013, betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen.



Artikel 589bis Ger.W.


 §1.
De voorzitter van de rechtbank van koophandel en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doen, in aangelegenheden
die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, op verzoekschrift uitspraak over vorderingen betreffende be-
slag inzake namaak, ingesteld krachtens de artikelen 1369bis / 1 tot 1369bis /10, en ingesteld door personen die op grond van
een wet betreffende de intellectuele eigendomsrechten bedoeld in artikel 575, § 1, een vordering inzake namaak kunnen in-
stellen.

 §2.
De voorzitter van de rechtbank van koophandel en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg doen, in aangelegenheden
die tot de respectieve bevoegdheid van die rechtbanken behoren, uitspraak over de vorderingen bedoeld in de artikelen 77quin-
quies, 87 en 87bis van de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten alsook over de vorderingen
bepaald in de artikelen 12quater en 12sexies van de wet van 31 augustus 1998 houdende omzetting in Belgisch recht van de Eu-
ropese richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken.